Archief groep

Duizend jaar geschiedenis (1063-1880)

Bij het honderdjarig bestaan van de kerk is een goed leesbaar boek verschenen onder de titel ‘Springlevend Oudorp’ van de hand van Bertus Voets die na de tweede wereldoorlog 7 jaar kapelaan was in Alkmaar. Onderstaande tekst kunt u grotendeels lezen als een uittreksel van de eerste 16 hoofdstukken uit dat boek.

Ver voordat in 1880 de huidige kerk werd voltooid en ingewijd bestond er al een gemeenschap gelovigen in Oudorp die wat betreft hun geestelijk leven vielen onder toezicht van de abdij van Egmond. De eerste officiële vermelding van een terpkerkje is aangetroffen in een brief van 1063. Toen stond het kerkje er al een tijd, toegewijd aan – jawel- de heilige Laurentius.

De abdij van Egmond benoemde de pastoors in ruil voor een geldelijke bijdrage van de gelovige boeren uit Oudorp en Sint Pancras, die ze in de oogsttijd of bij de geboorte van kalf of lam offerden. Dat betekent niet dat het altijd koek en ei was tussen de Oudorpers en de boeren uit Sint Pancras. In 1487 verzocht de gemeenschap van Sint Pancras een eigen parochie te mogen stichten rond hun eigen kapelletje dat vanuit Koedijk werd bediend. Het werd ze toegestaan op voorwaarde dat zij kerkbelasting bleven betalen aan Oudorp.

In 1559 ontstond het bisdom Haarlem. Een van de redenen om nieuwe bisdommen op te richten was het inperken van de nieuwe religie. Tijdens de reformatie was er vanuit Alkmaar veel sympathie voor het protestantisme. In Oudorp was toentertijd de populaire pastoor Andries, die ‘merakels’ mooi kon preken, actief. Hij leidde zijn parochianen langs de afgronden van de nieuwe religie en wist het geloof zuiver te houden. Kort daarop barstte de 80 jarige oorlog (1568-1648) uit. De katholieke Spanjaarden werden bestreden, waardoor het protestantisme zich uitbreidde in de lage landen. Trouwe katholieken kwamen bijeen in schuilkerken. Zo is van pater Gerardus, een Jezuïet, bekend dat hij de Oudorpers bij elkaar haalt in het ‘boetjen’. Niemand weet waar dit schuurtje heeft gestaan.

Rond 1650 werden er twee schuurkerken ingericht in de Heerhugowaard, waar ook de Oudorpers gingen kerken. Vanuit Haarlem werd er toen pastoor Benschop aangesteld die liever niet in een polder wilde wonen. Nadat door ijverige autoriteiten de schuilkerken werden opgerold kon de pastoor zich in Oudorp vestigen. Dokter Jan van Dijk stelde in 1658 een schuur beschikbaar om die als schuilkerk in te richten en de pastoor Benschop hield droge voeten. Vanuit Oudorp bediende hij de gelovigen van Sint Pancras, Oterleek, Heerhugowaard en Schermer.

In 1677 nam pastoor van Aldenhoven het pastoraat over. Deze pastoor deed iets opmerkelijks voor die tijd: hij stichtte een soort parochiebestuur van 10-12 man. Dat pakte goed uit want toen Akersloot in 1695 de katholieken van de Schermer wilde inlijven, kozen de parochiebestuurders van Schermer voor Oudorp.

Opvolger, pastoor Brikkenaar zorgde voor een effectiever opererend kerkbestuur. De armenzorg werd ook georganiseerd. De pastoor onderhield zijn parochianen ook over de devotie tot de H. Maagd. Tijdens een uitbraak van de pest in 1727 bleef Oudorp gespaard en dat werd toegeschreven aan de bescherming van Maria. Men liet een Mariabeeld maken voor de parochie. Brikkenaar liet ook een nieuwe (schuil) kerk bouwen omdat de schuur van dokter van Dijk bouwvallig werd.

Na het vertrek van Brikkenaar raakte de landbouw in een crisis. Bovendien droegen de rijke boeren uit Heerhugowaard en Schermer niet zoveel meer bij aan de kerk in Oudorp. Toch begon pastoor Top met een zangkoor van 15 mannen. Er werd zelfs een orgel gekocht.

In 1785 begon het pastoraat van pastoor Witzenburg, een rijk man die f 20.000 beschikbaar stelde voor het opknappen van de kerk.

Toch beleefden de Oudorpers een financiële crisis, een reden voor Oterleek, de Heerhugowaard en Schermer een ander koers te varen en zich af te splitsen van Oudorp. De kerk werd echter veilig gesteld door een fonds van een rijk echtpaar uit de Huiswaard. Uit dit ‘fonds Hoogwerf’ kon de pastoor worden betaald en het onderhoud van de kerk.

Pastoor Houbraken wist de Oudorpers na het afsplitsen van de buitenstaties een hart onder de riem te steken door op het dak van de kerk een torentje te laten bouwen met een heus klokje erin.

Rond die tijd was er politiek heel wat gaande. België scheidde zich af van Nederland in 1839. Dat maakte een grondwetsherziening noodzakelijk. Die kwam er in 1848 waarmee de scheiding van kerk en staat een feit werd. Alle kerken kregen gelijke rechten. Paus Pius IX vaardige in 1853 een bul uit waarmee hij de bisschoppelijke hiërarchie in Nederland herstelde. Er kwamen 5 bisdommen, waaronder het bisdom Haarlem. Het waren feitelijk de opvolgers van de bisdommen die in 1559 tot stand waren gekomen maar amper 20 jaar hadden gefunctioneerd in verband met de reformatie.

Gevolg was dat er overal in ons bisdom parochies werden gesticht die een impuls gaven aan de bouw van nieuwe kerken. Denk aan de architecten Molkenboer en Cuypers, ook in het Alkmaarse actief. De tijd van schuilkerken was voorbij.

In 1857 volgde pastoor Eulenbach Houbraken op. Deze Eulenbach startte een Laurentiusfonds. De bedoeling was dar er mensen langs de huizen zouden gaan om wekelijks een bijdrage op te gaan halen voor het bouwen van een nieuwe kerk.

In 1862 kreeg Oudorp zijn eigen kerkhof. In de aanloop tot de aanleg daarvan waren er al wat strubbelingen tussen het kerkbestuur en pastoor Eulenbach over het beheer van de gelden. Om zijn gelijk te halen trok de pastoor in zijn zondagse preek van leer tegen het bestuur. Het kerkbestuur verzocht de bisschop haar leden te ontslaan, maar er kwam een bemiddelingspoging. Het bisdom gaf de kerkmeesters gelijk en Eulenbach vroeg overplaatsing. Daar wilde het bisdom niet van weten. Daarmee was de kous niet af want het bleef niet boteren tussen de pastoor en het bestuur. De bisschop moest toegeven dat er met Eulenbach niet te werken viel en gaf de kerkmeesters eervol ontslag. Een van hen was de heer Willem Bos, die later als burgemeester van Oudorp nog ene belangrijke rol zou spelen. De plannen voor een nieuwe kerk kwamen dientengevolge stil te liggen.

Het duurde tot 1879, 17 jaar later dus dat vanuit de parochie een roep kwam om de plannen weer op te pakken. Het kerkbestuur probeerde de nog steeds zittende pastoor Eulenbach warm te krijgen voor de plannen. Deze vroeg het bisdom om een kapelaan te benoemen tot voorzitter van de bouwcommissie. Daar wilde het bisdom niet van weten en Eulenbach legde zich bij die beslissing neer. In de bouwcommissie die hij benoemde kwam Willem Bos weer op het toneel. Hij genoot als burgemeester de sympathie van de gehele bevolking en bleek Eulenbach tot meer openheid te bewegen.

Met de schetsontwerpen van 1860 kon men niet zoveel meer. De kerkelijke bouwkunst maakte een ontwikkeling door. Rond 1860 werden veel kerken gebouwd naar het ontwerp van Pierre Cuypers, bekend van het Rijksmuseum en het Centraal Station te Amsterdam.

De bouwcommissie liet een paar kundige parochianen een aantal kerken bezoeken. Zij kwamen tot de conclusie dat architect Margry degelijke kerken bouwde. Margry maakte een schets, die werd goedgekeurd in Haarlem en in de zomer van 1879 kon men beginnen met de bouw. De eerste steen werd gelegd op 3 juli 1879 door Willem Bos, burgemeester.

Eind september werd de kerk ingewijd. Pastoor Eulenbach, 50 jaar priester, maakte het nog net mee. Kort daarna vond zijn uitvaart plaats.

Henk Pielage